Hoofdpagina Afdrukken Bookmark and Share
Zaterdag, 31 Juli 2010
Toxine - fragment

© 2007 - Uitgeverij Abimo.
Alle rechten voorbehouden

OPGELET! Toxine is een heel eng griezelboek!
Als je niet van griezelen houdt, is het beter dat je het volgende fragment ook niet leest!

cover 

De maan was niet meer vol en onderweg naar het laatste kwartier. De grijze Seat Cordoba van de Casteleyns stopte een eindje bij de kerkhofpoort vandaan en doofde zijn lichten. Yannick en Davy stapten uit en staken de straat over, die op dit uur van de avond volledig verlaten was. In de verte sloeg de dorpskerk half twaalf.

Het gat in de haag was in exact dezelfde staat als toen Wim er voor de laatste keer doorheen was gekropen met zijn verminkte hand. Yannick zag nog bloedresten op de bladeren van de haag, en de stenen op de grond waren gestippeld met donkere ronde vlekjes.

Hij kroop als eerste door het gat en verwachtte half tegenover Satan te komen staan, maar er gebeurde natuurlijk niets. Satans hok stond leeg naast het kantoortje, waar César zijn hele leven had gewerkt en waar hij twee dagen geleden zijn laatste adem had uitgeblazen.

De drinkbak van de hond stond naast zijn hok. De regenbui van vanmiddag had hem opnieuw gevuld. Davy scheen de bundel van de zaklamp langs de zitmaaier. Yannick voelde een rilling over zijn rug lopen. Hij kon het niet verklaren, maar op een of andere manier had hij het gevoel dat Satan er nog was. Dat hij hier rondliep en ergens in een donker hoekje klaar lag om hen te bespringen. De jongen bande de gedachte uit zijn hoofd. Dit was een plek van de dood en het enige dat hier leefde waren de wormen en de maden onder de grond.

Terwijl de jongens langs de grafzerken liepen, staarden de doden op de foto’s hen aan. In de bewegende lichtbundel van Davy’s zaklamp leek het even alsof ze tot leven kwamen. Een leger van piepkleine zwart-wit mensen.

De maan scheen door het loodglas in de ramen van het kapelletje, waardoor het leek alsof er in het gebouw een laaiend vuur woedde. De tweeling bleef staan bij het houten kruisje dat uit de omgewoelde aarde stak. Het laatste wat César in zijn leven had geschreven, was de naam van zijn trouwe hond.

Davy gooide de rugzak op de grond en wierp de spade voor de voeten van zijn broer.

‘Waarom moet ik het doen?’ vroeg Yannick.

‘Omdat ik de oudste ben.’

‘Je bent eenentwintig minuutjes ouder!’ protesteerde Yannick.

‘Al was ik drie seconden ouder, ik ben altijd de oudste.’

‘Klootzak!’ Met tegenzin raapte Yannick de spade op.

‘Het spijt me, César’, zei hij stil en plantte de spade in de grond. Gelukkig had César de kracht, noch de moed gehad om zijn geliefde Satan erg diep te begraven en het duurde dan ook niet lang voor Yannick weerstand voelde. Een misselijkmakende stank kwam uit de put naar boven.

‘Jouw beurt!’ zei hij en wierp zijn broer de rubber handschoenen toe. Opeens had Davy spijt dat hij Yannick had laten graven. Hij wurmde zijn vingers in het rubber en terwijl hij zijn adem inhield, borstelde hij de aarde weg van de zwarte vacht. Yannick wrikte ondertussen de spade onder het lijk en leunde op de steel, zodat het hele lichaam uit de aarde omhoog kwam. Een krioelende massa witte maden kwam tevoorschijn en Davy strompelde achteruit met een klinkend ‘Godverdefuck!’. Hij drukte zijn bovenarm tegen zijn neus, zodat hij de lavendel waspoedergeur van zijn jack opsnoof. Satans muil hing open en in zijn oren, neus en zelfs tussen zijn ogen kronkelden en wriemelden de maden, terwijl ze zich tegoed deden aan het rottende vlees.

Yannick doordrenkte twee zakdoeken met eau de cologne en gaf er een van aan zijn broer. Hij kon er maar even aan ruiken, want hij had zijn beide handen nodig om Satans lijk op te tillen. Satan was een grote hond en behoorlijk zwaar. Davy legde hem even neer naast de put. Terwijl hij zijn adem inhield, wiste hij met zijn hand de meeste larven van Satans snuit. Dit was de hond die hen twee dagen geleden naar het leven had gestaan. Zijn ogen waren gesloten, het was net alsof hij sliep. Yannick liet zijn handen over de modderige vacht strelen, maar trok ineens terug toen hij zich realiseerde dat amper centimeters onder Satans vacht, in zijn maag, de drie vingers van Wim zwommen.

Met z’n tweeën stopten de broers het hondenlichaam in de vuilniszak en legden er een stevige knoop in. Yannick blies zijn adem uit en snoof meteen weer aan het zakdoekje.

‘Man, wat een stank!’

Met hun buit veilig opgeborgen, vulden de jongens de kuil, waarna Yannick het kruisje opnieuw in de aarde plantte. Niemand die zou merken dat Satans graf leeg was.

Het was een vreemd gezicht om de twee kleine schimmen tussen de grafzerken te zien lopen. De ene droeg de rugzak en de spade. De andere zeulde met de grote vuilniszak en scheen de zaklamp voor hen uit.

Bij de kruising aan het begin van het kerkhof, trok Davy zijn broer ineens achter een grafmonument. Yannick zag licht bij het kantoortje. In de nachtelijke stilte kwetterde een walkietalkie. De poort was open en de jongens zagen twee schaduwen in uniform. Een van hen tuurde door het raam naar binnen, de ander scheen met zijn zaklamp over de zerken.

‘Shit! Politie! Doe dat licht uit verdomme!’

Davy griste de zaklamp uit Yannicks handen en knipte hem uit.

‘O fuck!’ vloekte Yannick, want de agenten kwamen hun kant uit! De jongens doken naar de grond. Het plastic van de vuilniszak knisperde oorverdovend. Yannick voelde zijn hart zo hard kloppen, dat hij dacht dat het tot ver buiten het dorp te horen was.

De agenten waren met elkaar aan het praten en leken Yannicks bonzende hart niet te horen. Ze droegen allebei een lange wapenstok aan hun gordel, een busje traangas, een stel handboeien en een holster met daarin een glanzende revolver. Dingen waarmee je liever geen kennis maakte.

‘Kom mee!’ siste Davy, zodra de agenten uit het zicht waren en trok zijn broer bij de mouw.

De jongens renden half gebukt en zo snel als ze konden naar de openstaande poort. Op de stoep verstijfden ze toen ze werden gevangen in een felle lichtbundel. Yannick schermde zijn ogen af en zag de blauwe lichtbalk op het dak van de auto. De motor draaide, maar er zat niemand in. Waar was papa? Yannick en Davy maakten dat ze uit de koplampen van de politiewagen waren. Die agenten waren hier niet gekomen omdat ze zin hadden in een wandelingetje. Dat betekende dat iemand hen had gezien.

Opeens gingen wat verder in de straat twee rode achterlichten aan. De jongens staken de straat over en spurtten zo snel ze konden naar de auto.

‘Zoiets doe ik nooit meer!’ zwoor Davy terwijl hij op de achterbank van de warme auto plofte.

Gelukkig zou de politie niets vinden en zouden ze de melding afdoen als loos alarm. Wat deden ze eigenlijk met kinderen die betrapt werden bij het opgraven van een lijk? Gingen die naar de gevangenis? Waarschijnlijk niet. De jeugdrechter zou vast denken dat ze een of andere nare stoornis hadden en hen in een instelling laten opsluiten. Dat was nog erger dan de gevangenis.

Pas toen hij onder de lakens van zijn warme bed kroop, durfde Yannick opgelucht adem te halen. Het was eigenlijk best spannend geweest. Een beetje té spannend naar zijn zin.

 
Firefox 3
© Johan Vandevelde 2002-2010