Nieuwsfeed E-mail Johan Vandevelde op Facebook Johan Vandevelde op Goodreads Johan Vandevelde op LinkedIn Johan Vandevelde op Google+ Johan Vandevelde op Pinterest
Dinsdag, 21 november 2017
Heb je deze al gelezen?



Gruwelhotel - fragment
© 2009 - Uitgeverij Abimo
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘Gruwelhotel’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.


Beluister hier het fragment ingelezen door de auteur!
 


BloedlijnMisschien heb je het ook al eens meegemaakt. Je schrikt wakker van een geluid in je kamer en dan blijkt dat je het gedroomd hebt. Ook Mark was er niet zeker van of de ijselijke gil die hem gewekt had uit zijn droom kwam. Hij lag met wijd open ogen in bed en luisterde, terwijl hij naar het maanlicht keek dat vaal over de bloemen op het behang scheen. Frederik lag op zijn buik en zuchtte zacht in zijn slaap. Voor de rest was het muisstil. Mark draaide zich op zijn zij, plukte zijn horloge van het nachtkastje en drukte op de knop zodat het blauwe lampje aan ging. Het was kwart over twee; het holst van de nacht.

Toen hij zijn horloge weer weg wilde leggen, zwol een nieuwe schreeuw aan uit de diepste ingewanden van het oude hotel en sneed als een mes door de nachtelijke stilte. De echo galmde door de gangen en de kamers; ijl en onaards, alsof hij ontzettend veraf was en tegelijkertijd verontrustend dichtbij. Marks horloge viel met een bons op de vloer en het leek wel alsof zijn longen nog weigerden te werken.

Zijn hart bonsde in zijn keel, terwijl hij in stilte wachtte.

Waarop? Op een nieuwe schreeuw? Mark slaagde erin om diep in te ademen. Hij beefde over zijn hele lichaam en een ijskoude rivier stroomde tussen zijn schouderbladen naar beneden. Wie gilde daar zo? Het klonk in ieder geval niet als een vrouw; eerder als het klagende huilen van een man die verscheurd werd door pijn, verdriet en wanhoop.

Marks trillende hand vond de schakelaar van het nachtlampje naast zijn bed en een zwak, maar niettemin geruststellend licht overspoelde de helft van de kamer. Mark bleef stil rechtop zitten en werd zijn eigen ademhaling gewaar boven zijn dreunende hart. Hij probeerde zichzelf gerust te stellen; misschien was het de wind die de gaten in het dak bespeelde als een instrument? Of was het misschien een luchtbel geweest in de antieke buizen? Misschien... Marks adem stokte toen hij twee ogen zag glinsteren in het maanlicht - Frederiks ogen. Zijn broertje was wakker en staarde hem aan van op zijn hoofdkussen.

‘De muziek is mooi’, zei hij stil.

‘Muziek?’ fluisterde Mark. ‘Waar hoor jij m...’

Maar nu hoorde hij ook de zachte deinende pianoklanken die door het huis zweefden. Het kwam van beneden en Mark herinnerde zich de vleugel in de balzaal. Mams was de enige in het gezin die piano kon spelen; ze had tot haar zestiende muziekschool gevolgd en kon de beroemdste stukken van Chopin uit het hoofd spelen. Maar hoe haalde ze het in haar hoofd om op dit uur muziek te maken?

Mark kon zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen, sprong zijn bed uit en stommelde op zijn blote voeten naar de deur. Het licht in de gang was aan en hij trok voorzichtig de deur open tot het licht door het kiertje naar binnen scheen. Er hing een vreemde geur. Nee geen geur: een echte stank! Net rotte eieren!

‘Blijf hier!’ fluisterde Mark tegen zijn broer in de kamer.

‘Blijf hier’, echode Frederik als teken dat hij het begrepen had.

Mark sloot de kamerdeur achter zich en liep de gang in.

Zijn blote voetzolen zakten diep weg in het wollige tapijt. De dubbele deur naar de trap stond open. Uit de kamer van zijn ouders klonk vaag het gesnurk van paps.

Mark duwde de helft van de dubbele deur verder open en gluurde langs de trapleuning naar beneden. De zurige stank hing in het hele huis en in de lobby beneden was het licht ook aan.

De pianoklanken echoden door de hal en zweefden omhoog. Mark liep voetje voor voetje de trap af en er ging een siddering door hem heen toen zijn blote voeten beneden de ijskoude mozaïekvloer raakten.

Hij sloop op zijn tenen naar de deur van de balzaal en kon nu luid en duidelijk de piano horen spelen die hij er eergisteren had zien staan. Door de gebrandschilderde ramen van de deur scheen het licht kleurig de lobby in. Er was geen twijfel mogelijk, dat moest mams zijn! Hij pakte de klink beet, maar toen hij de deur open duwde stopte de piano abrupt. De balzaal was donker en het licht uit de lobby spoelde door de deuropening naar binnen. Mark zag zichzelf weer in de spiegel aan het andere eind: een kleine, zwarte schim in een vloed van licht. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en kon de witte piano ontwaren. Het klavier was gesloten, de pianokruk onaangeroerd; niemand te zien. En toch zinderde de klankkast nog na en hing die laatste noot als een spook in de duisternis.

‘Mama?’

Hoewel Mark fluisterde, klonk zijn stem zo ontzettend hard dat hij ervan schrok. Een antwoord kwam er niet; er was alleen stilte. Zware, onrustwekkende stilte. Dat was zijn moeder niet geweest, wist Mark nu. Was het misschien een mechanische piano, die vanzelf was gaan spelen? Maar het licht was toch niet vanzelf aangegaan?

Toen Mark weer in de lobby kwam, hoorde hij boven een deur piepen. Dat was vast paps die naar de wc ging en Mark kon de voetstappen horen op de vloer. Maar ze waren onregelmatig, alsof de persoon van wie ze afkomstig waren hinkte of iets zwaars bij zich droeg. Bovendien gingen ze niet in de richting van de badkamer, maar kwamen ze er juist vandaan. De glazen deur naar het trapportaal knarste en nu hoorde Mark ook nog een ander geluid; een dof schuivend geluid, alsof iemand iets zwaars over de vloer sleepte, een vuilniszak of een opgerold tapijt.

Misschien was het Vera wel, maar wat voerde ze dan toch uit?

De voetstappen sleepten het zware ding verder vooruit en gingen de eerste treden van de trap af, telkens gevolgd door een harde bons. KA-BOM, KA-BOM, KA-BOM, KA-BOM... Dat was geen tapijt dat hij of zij achter zich aan sleepte en Mark probeerde zich in te beelden wat het dan wel kon zijn. Het leek wel op een holle kokosnoot die bij iedere bons weerklonk.

Mark realiseerde zich ineens dat hij hier beneden pal in het zicht stond. Hij glipte snel de balzaal weer in en sloot de deur heel zacht achter zich. Met ingehouden adem luisterde hij naar de voetstappen in de gang en naar het schuiven van de last op de vloer. Was dat de man van wie hij de schaduw gisteren op zolder had gezien? Was het misschien een inbreker of een kraker die zich daar verborgen hield en ‘s nachts tevoorschijn kwam? Wie het ook was, hij mocht niet weten dat Mark hier beneden was en toen de jongen de voetstappen in de keuken hoorde verdwijnen, raapte hij al zijn moed bij elkaar en opende heel stil de deur van de balzaal.

Het licht in de lobby brandde nog steeds en Mark hoorde geluid in de keuken. Er kraakte een deur. Dat kon alleen maar de deur naar de kelder zijn. Maar die was toch op slot? Misschien had die man wel de juiste sleutel en was daar beneden zijn schuilplaats?

Dat moest hij mams en paps vertellen en wel nu meteen!

Mark bedwong zijn nieuwsgierigheid en spurtte zo snel en zo stil als hij kon de trappen op.

Het was pas toen hij bijna boven was, dat hij merkte dat de loper die op de treden lag, nat en kleverig aanvoelde onder zijn blote voeten.

Mark pakte de deurstijl beet en hief zijn voet op. Een geruisloze gil ontsnapte uit zijn opengesperde mond.

Zijn voetzolen zaten onder het bloed! Slagadervers, helderrood als tomatensaus.

Mark keek naar de vloer, waar een brede rode streep over het tapijt liep, van in de gang tot aan de treden. Het zat op de leuning en op de spijlen en op iedere trede lagen de donkere plassen, alsof iemand met een boordevolle klotsende emmer de trap was afgegaan. Mark voelde zich misselijk worden.

Wat was hier gebeurd? Waar kwam al dat bloed vandaan?

Beneden sloeg de kelderdeur dicht en de klap dreunde door het hele huis. De voetstappen kwamen de lobby in, verlost van hun zware last. Een schaduw viel op de mozaïektegels en kwam de richting van de trap uit. Mark spurtte half strompelend en half rennend de gang in. Hij zette zijn hele lichaam tegen de deur van zijn kamer en sloeg hem achter zich meteen weer dicht. De klap galmde door het huis als een donderslag. Marks op hol geslagen ademhaling en zijn angstige hart, klonken oorverdovend en nog steeds hing er die zure stank van verrotting.

Frederik stond in het midden van de kamer, zijn schim donker in het naar binnen schijnende maanlicht en Mark moest weer denken aan die gruwelijke nachtmerrie die hij had gehad, waarin hij werd achterna gezeten door een moordenaar... was dit dezelfde droom?

Frederik stond nog steeds in het midden van de kamer en keek zijn broer vragend aan.

De voetstappen kwamen nu de trap op, stevig en vastberaden. Hij komt naar boven! schoot het door Marks hoofd. Was het wel een hij? Was het misschien een zij of een het? Het had natuurlijk de deur horen dichtslaan! Mark voelde de ijskoude paniek komen aanzetten en hij dacht dat het zweet op zijn voorhoofd zou bevriezen. Het was dezelfde paniek die hij gevoeld had in de kelder van de school toen hij dacht dat hij achterna werd gezeten door een moordenaar. De stappen klonken luider en luider. Frederik zag nu ook de angst in de ogen van zijn grote broer en die angst sloeg over op hem. Hij ging op de vloer zitten met zijn knieën tegen zijn borst en wreef weer met zijn toegeknepen vuist over zijn wang.

Waarom zat er ook geen sleutel op die klote deur? Die hing natuurlijk aan mams’ sleutelring. Mark raapte het laatste kleine restje moed dat in hem zat bijeen, pakte een stoel en duwde hem met de rug schuin tegen de deurklink, zodat de deur gebarricadeerd was. Maar hij twijfelde of zijn barricade een woeste moordenaar die bloed geroken had kon tegenhouden. De voetstappen waren boven en Mark hoorde schoenen soppen in het met bloed doordrenkte tapijt – een kleverig, zuigend geluid, alsof je door een drassig grasveld loopt.

Mark liep achteruit, weg van de deur. Hij beefde over zijn hele lijf en de angst was een ijskoude klauw geworden die zijn keel dichtkneep, zodat hij hijgend naar lucht snakte. Alleen die smerige stank vertelde hem dat hij wel degelijk lucht binnenkreeg.

De voetstappen gingen niet terug. Ze kwamen steeds dichterbij, hierheen!

Mark trok zijn broertje overeind en voerde hem mee naar het andere eind van de kamer. Op dat moment was hij vastbesloten om hun huid zo duur mogelijk te verkopen en zijn blik flitste door de kamer op zoek naar een wapen.

De voetstappen stopten vlak voor de deur! Mark zag de schaduw van twee voeten in de lichtstreep die eronderdoor scheen.

Ontwerp: Johan Vandevelde - Scripting: Pieter De Plukker   © 2002-2017