© 2010 - Uitgeverij Abimo.
Alle rechten voorbehouden
De eeuwige sneeuw op de Silnaris glinsterde als zilverstof in het heldere licht van de maan. De dichte nevelsluiers trokken op en de bergtop werd een baken voor de eenzame ruiter die in volle galop door het donkere woud van Lund reed.
Hij gaf zijn uitgeputte paard stevig de sporen. De zwarte merrie hijgde en schuimbekte, maar zette verbeten door. Zijn zwarte mantel wapperde achter hem, gerafeld door scherpe takken en doornen en zijn gezicht ging schuil in de diepe schaduw van zijn kap.
Ze konden de ijskoude adem van hun achtervolgers bijna voelen en de ruiter was dan ook niet verrast toen de bosgrond golfde als een onrustige oceaan van dorre bladeren. Nee, ze hadden het niet opgegeven; zoiets lag niet in hun natuur.
Ze kropen onder het mos vandaan en tussen de bladeren door: schichtige wezentjes, nauwelijks groter dan een kleine hond. De grondtrollen hadden maar één wapen: een enorm gebit van naaldscherpe tanden, waarmee ze een uit de kluiten gewassen boomtak – of een been van een mens – met één hap doormidden konden bijten. De ruiter kon hen horen – hun ijselijke, aardse gegrom en hun kreten van opwinding bij de geur van hun prooi. Het waren er geen tientallen en ook geen honderden; ze waren met duizenden. Een kronkelende bruine massa die over de bosgrond stroomde. Weldra zouden ze paard en ruiter inhalen en hen als een vloedgolf overspoelen. Na een paar minuten was een hoop gebeente dan meestal het enige wat overbleef.
De ruiter hield zijn blik strak op de zilveren top van de Silnaris. Dat was nu nog zijn enige hoop.
Plots schoot een helblauw lichtje tussen de bomen vandaan. Het leek wel een glimworm, maar dat was het niet. Daar was er nog een, en nog een! De Elfjes vlogen warrelend voor de ruiter uit en leken hem met hun licht de weg te tonen.
In de verte galmde een hoorn als een sombere kreet door het woud. De ruiter vuurde zijn paard aan. De bomenrijen dunden uit en massieve muren van blauw marmer, hoger dan de hoogste bomen en wel vijf meter dik, doken uit de nevel op. Daar lag Barkan-Silnaris. De mythische Elfenstad was nog mooier en grootser dan in de legendes stond beschreven.
Achter de omwallingen rezen de wachttorens, blank als ivoor en bemand door de legendarische Krijgselfen. Voor de ruiter doemde een reusachtige poort op, melkwit, schitterend als kristal en tegelijkertijd zo sterk als graniet. Nog een goeie halve kilometer...
Maar de grondtrollen waren gevaarlijk dichtbij en hun geknor en gegrom klonk van alle kanten. Nu ze de Elfenstad naderden kon de ruiter duidelijk de gebeeldhouwde symbolen in de poort zien en de eeuwenoude taferelen van elfenlegendes. Legendes over moed en zelfopoffering, over vurige veldslagen en glorierijke overwinningen. Waarschuwingen voor vreemdelingen met slechte bedoelingen. Wat als de Elfen deze vreemdeling niet zou-den binnenlaten? Wat als hun legendarische gastvrijheid alleen maar dat was: een legende?
Maar de hoorn schalde opnieuw en een loodrechte streep van licht sneed de stadspoort doormidden. Tergend traag draaiden de beide helften open terwijl duizenden blauwe lichtjes het woud rond de stad vulden.
De grondtrollen hapten naar de kuiten van de vermoeide merrie en het paard vertraagde zienderogen, verteerd door uitputting. Een grondtrol sprong wel twee meter hoog en slokte met één hap een achtergebleven Elfje op.
De ruiter wikkelde zijn arm in de teugels en trok met de andere hand zijn zwaard dat in een schede aan zijn zadel hing. Met fikse hauwen sloeg hij de venijnige monsters van zich af. Een grondtrol die naar zijn benen hapte, eindigde in twee helften tussen de dorre bladeren.
De poort was nu voldoende geopend om paard en ruiter door te laten, maar de grondtrollen zouden ongetwijfeld volgen als een alles verscheurende vloedgolf van tanden en klauwen. Zouden de Elfen de veiligheid van hun stad en hun eigen volk opofferen om een enkele sterveling en zijn paard te redden?
De vijandschap tussen Elfen en grondtrollen duurde echter al meer dan vijfduizend jaar en de Elfen beschikten over geduchte wapens. Er klonk een hoge, snerpende toon als de kreet van een kristalvogel en toen paard en ruiter door de poort naar binnen reden, schoten overal langs de omwallingen metershoge blauwe vlammen omhoog. De grondtrollen die te dichtbij waren, werden schreeuwend verzwolgen in een allesverzengende vuurzee. De andere grondtrollen deinsden verschrikt terug voor het vuur en kozen gillend het hazenpad.
De poort van de Elfenstad sloot zich weer geruisloos en het blauwe vuur doofde even plots als het verschenen was.
De ruiter bracht zijn uitgeputte merrie tot stilstand en schoof zijn zwaard weer in de schede terwijl hij om zich heen keek. Dit was zonder twijfel het meest wonderlijke schouwspel dat hij ooit had gezien. De reusachtige Elfenstad strekte zich uit langs de flanken van de berg Silnaris als een delicaat kantwerk dat wel van zuiver licht leek gemaakt. Duizenden kleine en grote huizen en gebouwen die samen een immens patroon van straten en pleinen vormden. In het centrum, hoog boven de rest, stond een prachtig wit paleis met tientallen bolle torentjes.
Overal in de stad glinsterden de miljoenen blauwe lichtjes van de Boodschapperelfjes. Zij verspreidden de berichten in een dicht netwerk en wat aan de ene kant van de stad gebeurde was binnen een paar minuten in de hele Elfenstad bekend. De Boodschapperelfjes waren ook de enige Elfensoort die zich in vredestijd ver buiten de stad waagde om boodschappen van de Elfenkoningin over te brengen aan bevriende staatshoofden van andere volkeren.
Van alle kanten kwamen Krijgselfen aangerend. Ze waren gewapend met zwaarden en lansen, die hoog op de Silnaris waren gemaakt door de Elfensmeden. Wapens die zo scherp en zo sterk waren dat iedereen er beducht voor was. De Krijgselfen waren veel groter dan de Boodschapperelfen en hoewel ze in grootte onge-veer overeenkwamen met een kind van tien, moesten zelfs de meest geharde krijgers in deze kleine vechtmachines hun meerdere erkennen. Ze waren met een stuk of honderd en omsingelden de ruiter in de zwarte kapmantel. Die maakte geen aanstalten om zich te verweren en toen de aanvoerder van de Krijgselfen op hem toe kwam, liet de ruiter zwijgend de kap van zijn mantel zakken.
Een dos lang zwart haar viel over zijn schouders – of liever haar schouders, want de zwarte ruiter was een vrouw. Ze was ergens halverwege de dertig, had donkere ogen, een zongebruinde huid en volle lippen. Haar schoonheid was werkelijk adembenemend. Het verweerde zwaard dat aan haar zadel hing, vertelde dat ze niet zomaar een argeloze reiziger was die bij toeval op een nest grondtrollen was gestuit. De aanvoerder van de Krijgselfen richtte zijn speer op haar, maar de vrouw negeerde hem. Ze maakte doodgemoedereerd het zwaard aan haar zadel los en gespte het aan de gordel die ze om haar middel droeg. Toen steeg ze af met een sierlijke sprong en landde met beide voeten op de grond voor de aanvoerder. Ze duwde zijn speer opzij alsof het een vervelende tak was die in haar weg hing en keek met een dwingende blik op de Elf neer. Die was op z’n minst een beetje overdonderd door de lef van de vrouw.
‘Breng de Koningin de boodschap dat prinses Celina van Dolan een dringend onderhoud met haar wenst in een zaak van het allergrootste belang.’
De aanvoerder leek even te aarzelen. Hij keek schichtig naar de andere Krijgselfen, maar daar hij hun aanvoerder was, lag de beslissing in zijn handen. Uiteindelijk fluisterde hij iets tegen een Boodschapperelf en het kleine wezentje schoot er met ratelende vleugeltjes als een bliksemschicht vandoor. Nog geen twee minuten later was het alweer terug en fluisterde op zijn beurt iets in het puntige oor van de aanvoerder.
‘De Koningin zal u ontvangen, Hoogheid’, zei de aanvoerder en maakte een diepe buiging.
‘Welkom in Barkan-Silnaris.’



