Nieuwsfeed E-mail Johan Vandevelde op Facebook Johan Vandevelde op Goodreads Johan Vandevelde op LinkedIn Johan Vandevelde op Google+ Johan Vandevelde op Pinterest
Maandag, 23 oktober 2017
Heb je deze al gelezen?



De demonen van Dalca: Nachtwild - fragment
© 2016 - Uitgeverij Van Halewyck
Alle rechten voorbehouden

Dit fragment uit ‘Nachtwild’ is auteursrechtelijk beschermd en wordt als download aangeboden voor privé- en educatief gebruik. Het mag zonder toestemming en in zijn geheel afgedrukt en vermenigvuldigd worden (bvb voor gebruik in de klas), op voorwaarde dat het niet wordt aangepast, ingekort, samengevat of op eender welke andere manier wordt gewijzigd. Het doorverkopen van dit fragment of er op eender welke andere manier geld aan verdienen (bvb door het aan te bieden in een commerciële verhalenbundel of via betalende online diensten) is niet toegestaan. Het is verboden om de naam van de auteur en/of deze copyrightgegevens te verwijderen. Voor elk ander gebruik dan hierboven bepaald, is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.


Beluister hier het fragment ingelezen door de auteur!
 


NachtwildToen de mannen in het zwart de opslagkamer binnenstormden, zagen ze nog net hoe de laatste jongen door het gebroken raam naar buiten klom. In een flits waren ze bij hem. Maikel schreeuwde toen hij een ijskoude klauw om zijn enkel voelde. Hij vond echter snel zijn koelbloedigheid terug, draaide zich om en verkocht zijn aanvaller een harde trap in het gezicht. Er kraakte iets en het bloed spatte in dikke druppels in het rond. De man in het zwart liet hem met een kreet van pijn los en omklemde zijn bloedende mond. Maikel verloor door de klap zijn evenwicht en duikelde achterover door het raam. Hij kwam hard neer en voelde een scherpe pijn toen de glasscherven in het gras in zijn handen sneden.

Siebe en Naïm stonden hem op te wachten. De witte hond blafte en gromde, maar zijn ketting verhinderde hem om bij de jongens te komen. Naïm hielp Maikel overeind en grimaste bij het zien van het bloed.

De twee jongens keken met een ruk om toen er een dierlijk geluid weerklonk – iets dat het midden hield tussen gegrom en gesis en dat Maikel eerder bij een of andere hagedis vond passen. Een van de monsterachtige achtervolgers hurkte in het vensterraam en keek de jongen aan met diepe bloedlust. Maikel zag het bloed van zijn gewonde handen lopen en moest denken aan piranha’s, de vraatzuchtige vissen uit de Amazone, die helemaal wild worden wanneer ze bloed ruiken. Hij was levend aas geworden! De man in het raam siste opnieuw en toen hij zijn mond opende, blonken daar twee messscherpe hoektanden. Opeens vielen in Maikels hoofd alle puzzelstukjes op hun plaats. Dus toch!

Maikels overleveringsdrang kreeg opnieuw de bovenhand en hij zette het op een rennen, met Naïm in zijn kielzog. Siebe rende voorop, wanhopig op zoek naar hulp. De monsters sprongen als dieren op handen en voeten uit het gebroken raam. Ze schoten de jongens achterna en wonnen bliksemsnel veld. Maikels spieren pompten, zijn hart beukte, zijn benen waren nog maar een waas en hij realiseerde zich amper dat hij een snelheid haalde die alle Olympische records verpulverde. Dezelfde snelheid die hij had gehaald toen hij het busje van Naïms ontvoerders had ingehaald.

‘Maikel! Help!’

Maikel kwam slippend tot stilstand in het gras, tolde om zijn as en zag nog net hoe Naïm door drie van hun achtervolgers schreeuwend in het gras geworpen werd. Maikel balde zijn bloedende vuisten en wilde zijn vriend te hulp schieten.

‘Bukken, knul!’ riep plotseling een stem achter hem.

Maikel keek om en zag een man in een donkere regenjas staan, die een kruisboog op hem richtte. Maikel dacht niet verder na en dook in het gras. Er klonk een scherpe klap en een monsterachtig gedrocht dat op Maikel af rende werd getroffen in de borst door een houten kruisboogbout. Het vloog krijsend achteruit en spatte uit elkaar in een wolk van brandend vlees nog voordat het de grond raakte. Een dampende sliert darmen kletste in het gras als een hoop bloederige spaghetti.

Maikel voelde ijskoude bloeddruppels op zijn gezicht. Nog twee dodelijke staven vlogen over zijn hoofd en troffen telkens doel. De lucht was gehuld in een zwarte mist van bloed en as. Maikel probeerde zich op te richten om te zien wie zijn redder was. Een schaduw kwam over hem heen en hij voelde een hand – een warme hand – die hem bij zijn arm pakte en hem overeind hielp. Een vertrouwd gezicht...

‘Joanna?’

Joanna zei niets, maar nam hem mee naar een wit Volkswagenbusje dat op de parkeerplaats stond en duwde hem door de zijdeur naar binnen. Daar landde Maikel boven op Siebe op de vloer.

‘Maikel! Waar is Naïm?’

De man met de kruisboog kwam nu ook aangelopen. In zijn andere hand hield hij een wandelstok. Eén van de nachtwezens stormde achter een auto tevoorschijn, maar nog voordat Maikel de man kon waarschuwen, had deze een smalle zilveren degen uit zijn wandelstok getrokken, die schitterde in het licht van de koplampen. Met één hauw hakte hij het hoofd van het monster af. De jongens keken vol afgrijzen toe hoe het bloed tegen de voorruit opspatte en het rokende hoofd met een holle bons over de motorkap rolde en verpulverde tot as.

De man kroop achter het stuur en startte de motor terwijl Joanna naast hem plaatsnam.

‘Wacht!’ riep Maikel en hij stormde naar voren. ‘We zijn Naïm vergeten!’

‘Geen tijd!’ blafte de man en Maikel zag nu ook waarom. Met z’n honderden stormden ze de loods uit en renden krijsend op het busje af.

De man gaf plankgas en de motor van het busje trok zwaar op. Maikel klampte zich vast aan de rekken achterin en hij beet op zijn tanden toen de snijwonden aan zijn handen staken als gloeiende naalden. Hij merkte nu ook dat de rekken achter in het busje volgestouwd waren met de vreemdste voorwerpen.

‘Doe de deur dicht!’ riep de man in de achteruitkijkspiegel.

Terwijl het busje met gierende banden de weg op scheurde, probeerde Maikel zich een weg te banen naar de openstaande deur achterin. Toen hij de handgreep van de deur beet pakte, schoot plotseling een ijskoude hand tevoorschijn en pakte zijn arm beet. Maikel gilde toen hij in twee bloedrood opgloeiende ogen keek. Het monster opende zijn mond en ontblootte zijn scherpe hoektanden. Maikels arm leek wel in een pers te zitten. Hij zette zijn ene been vast achter een rek om niet uit het rijdende busje geslingerd te worden en probeerde met zijn andere been zijn aanvaller weg te schoppen. Siebe keek verstard toe. Maikel wist dat zijn vriend verlamd was van angst en daardoor ook niets zou kunnen doen.

‘Uit de weg!’

Joanna duwde Maikel ruw opzij, trok met een hand haar haarpin los, zodat haar ravenzwarte lokken over haar schouders vielen en plantte het ding recht in het oog van het monster. Het maakte een sissend geluid en het wezen krijste het uit. Het liet zowel Maikel als de deur los en rolde rokend over het wegdek, weg van het busje. De bestuurder van de tram, die uit de tegenovergestelde richting kwam, gooide al zijn remmen dicht en de tram kwam in een regen van vonken schuivend over de rails tot stilstand. Toen het lichaam onder de wielen van de tram verdween, was het niet veel meer dan een wolk van as, die in de avondlucht verpulverde.

Joanna trok kordaat de deur van de bestelwagen dicht.

Maikel keek haar hijgend aan in het licht van het zwakke lampje dat aan het plafond hing.

‘Bedankt’, zei hij zacht.

‘Iew’, kreunde Joanna en ze keek met een grimas naar de rokende oogbal die nog aan haar haarpin zat gespietst.

Ontwerp: Johan Vandevelde - Scripting: Pieter De Plukker   © 2002-2017