Hoewel hij niet gepubliceerd werd, is de volgende tekst auteursrechtelijk beschermd. Hij mag enkel gebruikt worden voor educatieve doeleinden. Voor elk ander gebruik is voorafgaandelijk de schriftelijke toestemming van de auteur vereist.
Ze waren er toen het gebeurde. Sook wist het gewoon; hij voelde het,
zoals hij het koude modderwater voelde rond zijn enkels. Zijn vrienden
speelden zo vaak verstoppertje op het pleintje. Sook was dikwijls wat
later, als hij een boodschap moest doen of thuis een klusje moest opknappen.
Als hij dan op het pleintje aankwam, hadden ze zich steevast allemaal
voor hem verstopt en dan was het aan hem om hen te zoeken.
Er was niets meer om je te verstoppen. Muren, auto’s, reklameborden,
soevenirstalletjes, de dozen en vaten naast het winkeltje van de oude
Bhumipol. Alles was weggespoeld en van Bhumipols winkeltje bleef alleen
een hoop natte planken over.
De oude palmboom stond er nog en droeg de tekens van hun vriendschap.
Hun namen met een zakmes in de stam gekerfd: Palat, Kris, Churai, Nadee,
Sook. Een groepje onafscheidelijke makkers die trouw aan elkaar hebben
gezworen tot de dood.
Sook stond in de schaduw onder de palmbladeren en leunde tegen de ruwe
stam.
Misschien, als hij zijn ogen sloot en hij telde tot tien, zou alles weer
zijn zoals vroeger, zoals gisteren,… zoals een uur geleden. Hij
zou weer de houten gebouwen zien rond het plein, de stalletjes met t-shirts
en souvenirs voor de toeristen en Bhumipol, met zijn grijze haar en zijn
doorgroefde gezicht, zou lachend voor de deur van zijn winkeltje staan.
Sook kende zijn vrienden door en door en kon al een beetje raden waar
ze zich verstopten.
Churai was niet zo mager als de rest en was bovendien een kei in het opzoeken
van de slechtste verstopplaatsen die je je maar kon indenken. Op een keer
was hij gewoon aan de andere kant van de boom gaan staan en Sook had zijn
schaduw meteen gezien. Het verwonderde hem dat Churai dit spelletje nooit
moe werd.
Palat had snelle benen; kwam overal als eerste aan en Sook moest voor
hem op zijn hoede zijn. Want eenmaal hij Palat had gezien, zou die met
een rotvaart op zijn tot op de draad versleten Adidas naar de boom sprinten
om af te potten. Sook was ook snel, maar haalde het meestal maar nipt.
Nadee was de kleinste en kon zich op de meest onmogelijke plekjes verstoppen.
Op een keer was hij in de koffer van Bhumipols kleine autootje gekropen.
Dat was hem zuur opgebroken toen de oude kruidenier het kofferdeksel dichtsloeg.
Je had de opluchting op zijn gezicht moeten zien toen zijn vrienden hem
eruit haalden.
En dan was er Kris. Die goeie ouwe Kris. Hij was de oudste van de vijf
en de beste in alles; kon een vis vangen met zijn blote handen, floot
alle deuntjes van de radio op zijn vingers en verbaasde je steeds weer
met de wonderlijkste verhalen. Hij was de meesterverstopper en ze waren
met z’n allen soms wel een uur naar hem op zoek. Dan bleek de leukerd
ergens hoog in een boom te zitten of had hij gewoon bij iemand aangeklopt
en gevraagd of hij even binnen mocht komen. Zo was Kris nu eenmaal.
Sook opende zijn ogen en dacht even de schaduw van Churai te zien achter
de boom. Het was zijn eigen schaduw en waar daarnet nog het dorpspleintje
was, dansten de zonnestralen in het rimpelende water.
Sook liet zijn vingers over de ingekraste namen van zijn vrienden glijden.
„Ik zal jullie terugvinden,” fluisterde hij.
„Niemand kan zich voor altijd verstoppen.”
Johan Vandevelde - 30 januari 2005



